Dit stukje gaat over normale variatie binnen een soort. Er wordt wel
vaak over mutanten gesproken terwijl variatie ook prima zonder mutatie
kan voorkomen. De meeste variatie ontstaat zelfs door recombinatie, een
nieuwe combinatie van bestaande genen. Op het moment dat variatie het gevolg is van een gemuteerd gen is er sprake van beschadiging en een gen kan
zelfs 'uit' gaan.
Dit betekent dat gemuteerde exemplaren altijd minder sterk (hoe gering ook) zijn dan exemplaren die dat
gen nog onbeschadigd en 'aan' hebben staan.
In sommige situaties, zoals in het boek beschreven, is dat niet erg. Denk maar eens aan een dier dat zijn
pigment grotendeels verliest of, zoals in het geval van de sneeuwhaas, alleen pigment vormt als het warmer
wordt. Het dier zou in een groene omgeving dadelijk opvallen maar in sneeuwgebieden plotseling in het
voordeel zijn.
Een interessant experiment vond plaats met koeien.
De koeien waren door de eeuwen heen door fokkerij veredeld. Hetzij tot
vleeskoe tot melkkoe tot dubbeldoelkoe enz.. Al die veredelde koeien
waren in hun specifieke omgeving voordeliger dan de oorspronkelijke
koe. Maar het vermoeden werd waar toen ze bijna alle Europese rassen
weer met elkaar gingen kruizen. Er kwam een koe uit (Heckrund) die
weliswaar minder melk en/of vlees gaf maar wel veel sterker was wat betreft
gezondheid. Wat was er gebeurd? Bij het fokken werden bepaalde
eigenschappen die niet nodig waren geëlimineerd.
Die eigenschappen waren in de stal niet meer nodig.
Bij het fokken werden bepaalde genen dus als het ware uit gezet en ze op den duur verdwenen. Bij het terug fokken werden de genen die
bij de één weg waren weer aangevuld door de ander en zo ontstond weer een
genetisch rijker exemplaar.
De vraag is nu:
Waren de dieren vroeger minder ontwikkeld of juist sterker ontwikkeld?
De evolutietheorie gaat er van uit dat soorten van lager naar hoger
gaan maar deze proef (die overigens in de natuur regelmatig terug is te
vinden) laat zien dat een soort niet eindeloos kan variëren omdat de
exemplaren uiteindelijk zwakker worden.
"Het ontstaan van nieuwe soorten"
Het is altijd spannend om te zeggen dat een dier een nieuwe soort is geworden.
Dit voorbeeld is prachtig om aan te tonen wat mutatie doet.
De muis wordt in twee groepen, A en B, gesplitst en ze kunnen
elkaar niet meer bereiken.
In groep A sluipt een mutatie, in bijvoorbeeld het geslachtsorgaan. In
het begin is het nog mogelijk voor het gemuteerde exemplaar om te paren
met een andere muis van zijn groep en geeft hij het gemuteerde gen dus
door aan zijn nageslacht. Zijn nageslacht zal dit op hun beurt ook weer
doen. Zolang ze zich kunnen voortplanten zal de mutatie blijven bestaan
in de groep.
Groep B heeft deze mutatie echter niet waardoor het voortplanten iets
anders verloopt dan bij groep A.
Op een zeker moment komen groep A en B weer bij elkaar maar is het voor
muis A en muis B niet meer mogelijk om onderling kindjes te krijgen.
Maar stel nu eens voor dat er nog een derde groep muizen was, groep C.
Deze groep leeft tussen groep A en B in en doet zo nu en dan een
romantisch uitstapje naar A en dan weer eens naar B.
Groep C zal dan de mutatie ook hebben maar dan minder ver gevorderd dan
groep A. Groep C is dan nog in staat om zich voort te planten met groep
A én met groep B.
Op deze manier blijft A+B+C één populatie (voortplantingsgemeenschap).
Zonder groep C is Groep A is nieuw 'soort' geworden maar A blijft een muis.