Apologeet.nl
De doop in de Heilige Geest – heb je een tweede ervaring nodig?Introductie — Heb jij de Heilige Geest al ontvangen?
Heb jij de Heilige Geest al ontvangen? En hoe weet je eigenlijk of je gedoopt bent met de Heilige Geest?
Voor veel christenen zijn dat geen gemakkelijke vragen. De één vertelt over een bijzondere ervaring na zijn bekering, terwijl de ander gelooft dat de Heilige Geest al bij het tot geloof komen ontvangen wordt.
Maar wat bedoelt de Bijbel precies met de doop in de Heilige Geest? En hoe moeten we de bijzondere gebeurtenissen in het boek Handelingen begrijpen?
In deze video gaan we de verschillende Bijbelteksten onderzoeken. Want misschien moeten we eerst een andere vraag beantwoorden: hebben we het eigenlijk wel over hetzelfde wanneer we spreken over de doop, de vervulling en het ontvangen van de Heilige Geest?
Laten we beginnen bij de woorden die de Bijbel zelf gebruikt.
Welke termen gebruiken christenen, en wat bedoelt de Bijbel?
Voordat we de verschillende teksten onderzoeken, is het goed om een aantal begrippen uit elkaar te houden. In gesprekken over de Heilige Geest worden namelijk verschillende uitdrukkingen nogal eens door elkaar gebruikt.
De doop met de Heilige Geest. Deze uitdrukking vinden we onder andere in Mattheüs 3:11 en Handelingen 1:5. In 1 Korinthiërs 12:13 spreekt Paulus over gedoopt worden door één Geest tot één lichaam. Christenen verschillen van mening over de precieze verhouding tussen deze teksten.
Het ontvangen van de Heilige Geest. Deze uitdrukking komen we onder andere tegen in Handelingen 2:38, Handelingen 8:15-17 en Galaten 3:2. Daarbij moeten we steeds kijken naar de context: wie ontvangt de Geest, onder welke omstandigheden en met welke betekenis binnen het verhaal?
De vervulling met de Heilige Geest. In Handelingen lezen we meerdere keren dat mensen vervuld worden met de Geest. In Efeziërs 5:18 roept Paulus gelovigen op om vervuld te worden met de Geest. Dat is een belangrijke tekst voor het leven onder de leiding van de Geest.
De tweede zegen of tweede ervaring. Dit zijn benamingen die sommige christenen gebruiken voor een bijzondere ervaring na de bekering. De uitdrukking tweede zegen is geen vaste Bijbelse aanduiding. We moeten daarom onderzoeken welke Bijbelse gebeurtenissen ermee bedoeld worden en of de Bijbel deze ervaring als een noodzakelijke stap voor iedere gelovige beschrijft.
De kracht van de Heilige Geest. In Handelingen 1:8 belooft Jezus Zijn discipelen dat zij kracht zullen ontvangen wanneer de Heilige Geest over hen komt. De tekst verbindt die kracht met hun opdracht om getuigen van Jezus te zijn. We moeten dus niet automatisch aannemen dat iedere verwijzing naar kracht precies hetzelfde betekent als de geestesdoop in iedere theologische traditie.
En dan zijn er nog uitdrukkingen zoals de doop met vuur en het vuur van de Geest. Zulke formuleringen worden soms gebruikt om een krachtige geestelijke ervaring te beschrijven. Maar we moeten oppassen dat we daarmee geen betekenis in een Bijbeltekst leggen die de context niet ondersteunt.
Dat brengt ons bij de woorden van Johannes de Doper.
De belofte van de Heilige Geest — en het vuur
In Mattheüs 3:11 zegt Johannes de Doper:
Ik doop u wel met water tot bekering, maar Hij Die na mij komt, is sterker dan ik; ik ben het niet waard Hem Zijn sandalen na te dragen. Hij zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur.
Deze tekst wordt vaak aangehaald in gesprekken over de doop met de Heilige Geest. Soms wordt het vuur daarbij uitgelegd als een vurige uitwerking van de Geest, bijvoorbeeld een krachtige ervaring of een bijzondere geestelijke toerusting.
Maar is dat wel de betekenis die de context aangeeft?
Kijk eens naar de verzen eromheen. In Mattheüs 3:10 waarschuwt Johannes dat iedere boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen. En in vers 12 spreekt hij over de dorsvloer, het verzamelen van de tarwe en het verbranden van het kaf met onuitblusbaar vuur.
In deze context staat vuur duidelijk in verband met oordeel.
Daarom begrijp ik de woorden ‘met de Heilige Geest en met vuur’ niet als een belofte dat iedere gelovige naast de Heilige Geest ook een vurige geestelijke ervaring moet ontvangen. De context wijst juist op een onderscheid tussen Gods genadige werk en Zijn oordeel. Enerzijds spreekt Johannes over de doop met de Heilige Geest. Anderzijds waarschuwt hij voor het komende oordeel, waarin degenen die Gods genade afwijzen, het oordeel zullen ondergaan dat hij vergelijkt met het verbranden van het kaf met onuitblusbaar vuur. Het vuur is in deze context dus geen extra geestelijke ervaring die gelovigen moeten zoeken, maar een beeld van Gods oordeel.
Dat betekent niet dat iedere Bijbeltekst waarin vuur voorkomt noodzakelijk over oordeel gaat. We moeten steeds de betreffende passage onderzoeken. In Handelingen 2 verschijnen bijvoorbeeld tongen als van vuur. Maar dat betekent niet automatisch dat het vuur in Mattheüs 3 en het beeld in Handelingen 2 dezelfde betekenis hebben.
Jezus belooft Zijn discipelen dat zij de Heilige Geest zullen ontvangen. In Handelingen 1:8 lezen we:
Maar u zult de kracht van de Heilige Geest ontvangen, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als in heel Judea en Samaria en tot aan het uiterste van de aarde.
Op de Pinksterdag wordt deze belofte vervuld. Petrus legt uit wat er gebeurt en verwijst daarbij naar de profeet Joël.
In Handelingen 2:16-21 zegt Petrus dat hier vervuld wordt wat door de profeet Joël is gesproken. Joël 2:28-32 beschrijft hoe God Zijn Geest zal uitstorten op alle vlees. Zonen en dochters zullen profeteren, jonge mannen zullen visioenen zien en oude mannen zullen dromen dromen. Ook spreekt Joël over tekenen aan de hemel en op de aarde, bloed, vuur en rookdamp, voordat de grote en ontzagwekkende dag van de Heere komt.
Petrus gebruikt deze profetie om de uitstorting van de Heilige Geest op Pinksteren te verklaren. We moeten daarbij niet alleen letten op de afzonderlijke woorden, maar op de hele profetische context.
De uitstorting van de Geest is een beslissend moment in Gods handelen. Maar hoe moeten we de verschillende gebeurtenissen die daarna in Handelingen volgen begrijpen? Moet iedere christen dezelfde ervaring meemaken?
De gebeurtenissen in Handelingen: één vast patroon?
In Handelingen 2 ontvangen de discipelen de Heilige Geest op de Pinksterdag. Ze spreken in andere talen en Petrus verkondigt dat Jezus, Die gekruisigd is, door God tot Heere en Christus gemaakt is.
Maar vervolgens lezen we in Handelingen 8 over de Samaritanen.
Zij hebben het evangelie aangenomen en zijn gedoopt, maar de Heilige Geest is nog niet op hen gekomen. Petrus en Johannes reizen naar hen toe, bidden voor hen en leggen hun de handen op. Daarna ontvangen zij de Heilige Geest.
Dit is een opmerkelijke gebeurtenis. De Samaritanen geloven al voordat zij de Geest ontvangen.
Voorstanders van een afzonderlijke geestesdoop wijzen hier terecht op. De volgorde is niet dezelfde als in andere passages. We moeten dat gegeven serieus nemen.
Tegelijkertijd moeten we ons afvragen waarom Lucas deze gebeurtenis zo beschrijft. Joden en Samaritanen hadden een lange geschiedenis van vijandschap en religieuze verdeeldheid. Nu worden ook Samaritanen opgenomen in de gemeente die door Christus wordt gevormd.
De betrokkenheid van Petrus en Johannes uit Jeruzalem maakt zichtbaar dat ook deze gelovigen bij hetzelfde werk van God horen. Het is aannemelijk dat deze gebeurtenis een belangrijke rol speelt in de zichtbare eenheid van de jonge gemeente.
Lucas zegt niet expliciet dat dit de enige reden is waarom de Samaritanen de Geest pas later ontvangen. We moeten die verklaring dus niet presenteren alsof ze letterlijk in de tekst staat.
Vervolgens lezen we in Handelingen 10 over Cornelius en zijn huisgenoten. Terwijl Petrus het evangelie verkondigt, valt de Heilige Geest op de aanwezigen. De Joodse gelovigen die met Petrus zijn meegekomen, zijn verbaasd dat ook heidenen de gave van de Heilige Geest ontvangen.
Hier gebeurt het anders dan in Handelingen 8. De Geest komt op de heidenen terwijl zij luisteren naar het evangelie.
Petrus begrijpt hierdoor dat God ook deze mensen aanneemt. Zij hoeven niet eerst Joden te worden om deel te krijgen aan Gods heil.
In Handelingen 2 en 10 speelt het spreken in andere talen een belangrijke rol. In Jeruzalem horen mensen uit verschillende volken de grote werken van God in hun eigen taal. Bij Cornelius wordt het spreken in talen voor de Joodse gelovigen een bevestiging dat ook de heidenen de Heilige Geest ontvangen hebben.
Dat verschil in context is belangrijk. Ik heb daar eerder uitgebreider bij stilgestaan in mijn studie over tongentaal in Handelingen en Korinthe. Daar onderzoek ik waarom tongentaal in Handelingen een teken is van Gods handelen, terwijl Paulus in 1 Korinthiërs 14 nadrukkelijk waarschuwt voor de manier waarop deze gave in de samenkomst kan worden gebruikt.
En dan is er Handelingen 19. Paulus ontmoet daar mensen in Efeze die de doop van Johannes kennen, maar nog niet goed op de hoogte zijn van het evangelie over Jezus en de komst van de Heilige Geest. Paulus legt hun uit wat zij nog niet begrepen hebben. Zij worden gedoopt in de Naam van de Heere Jezus en ontvangen de Heilige Geest.
Ook deze gebeurtenis heeft een bijzondere context. We kunnen haar niet zonder meer gelijkstellen aan de situatie van een christen die het evangelie al kent en vervolgens een tweede geestelijke ervaring zoekt.
Wat leren we hieruit?
In Handelingen vinden we verschillende gebeurtenissen waarin mensen de Heilige Geest ontvangen. De volgorde en omstandigheden zijn niet steeds hetzelfde.
Daarom is het te eenvoudig om te zeggen dat iedere gebeurtenis in Handelingen precies moet worden herhaald in het leven van iedere christen. Maar het is ook te eenvoudig om te zeggen dat deze gebeurtenissen uitsluitend voor die tijd bedoeld waren en vandaag niets meer te betekenen hebben.
We moeten ze lezen in het licht van het geheel van Gods Woord. Daarom is het belangrijk om ook te luisteren naar wat de apostelen in hun brieven aan de gemeenten leren.
Paulus: door één Geest tot één lichaam gedoopt
Een van de belangrijkste teksten voor deze discussie vinden we in 1 Korinthiërs 12:13.
Paulus schrijft:
Ook wij allen immers zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij dat wij Joden zijn, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen; en wij allen zijn van één Geest doordrenkt.
Let op de woorden: wij allen.
Paulus schrijft aan een gemeente waarin allerlei problemen spelen. Er is verdeeldheid, er zijn conflicten en de gelovigen gaan niet altijd goed om met de geestesgaven.
Toch spreekt Paulus over allen als mensen die door één Geest tot één lichaam zijn gedoopt.
Hij maakt hier geen onderscheid tussen christenen die de geestesdoop al hebben ontvangen en christenen die daarvoor nog een aparte ervaring nodig hebben.
De geestesdoop staat in deze tekst in verband met het behoren tot het ene lichaam van Christus.
Dat is een belangrijk uitgangspunt. De gemeente van Christus bestaat niet uit een groep gewone gelovigen en een kleinere groep christenen die door een bijzondere ervaring een hogere geestelijke status hebben bereikt.
Nu kan iemand tegenwerpen dat Paulus hier spreekt over de opname in het lichaam van Christus, terwijl de afzonderlijke geestesdoop volgens bepaalde christelijke tradities een latere toerusting met kracht is.
Dat onderscheid moeten we serieus nemen. De vraag is immers niet alleen wat Paulus in deze ene tekst bedoelt, maar ook of het Nieuwe Testament die twee ervaringen daadwerkelijk als afzonderlijke stappen voor iedere christen leert.
Daarom moeten we verder kijken.
In Romeinen 8:9 schrijft Paulus:
Maar als iemand de Geest van Christus niet heeft, die is niet van Hem.
De Heilige Geest is dus geen optionele toevoeging aan het christelijke leven. Wie Christus toebehoort, heeft de Geest.
In Galaten 3:2 vraagt Paulus de gelovigen of zij de Geest hebben ontvangen door de werken van de wet of door de prediking van het geloof. Daarmee verbindt hij het ontvangen van de Geest met hun geloof in het evangelie.
En in Efeziërs 1:13-14 schrijft hij dat mensen, nadat zij het evangelie hebben gehoord en geloofd, verzegeld zijn met de Heilige Geest van de belofte.
Deze teksten vormen samen een belangrijk patroon: het ontvangen van de Geest hoort bij het leven in Christus en is niet slechts een extra voor een selecte groep gelovigen.
Daarom meen ik dat het Nieuwe Testament onvoldoende grond geeft voor de stelling dat iedere christen na zijn bekering nog een afzonderlijke geestesdoop moet ontvangen om werkelijk compleet te zijn.
Dat betekent niet dat iedere vraag over de verhouding tussen bekering, geestesdoop en geestelijke toerusting hiermee volledig is opgelost. Maar het geeft ons wel een stevig Bijbels uitgangspunt.
Ontvang je de Geest bij je bekering?
Wanneer ik zeg dat iedere gelovige de Heilige Geest ontvangt, bedoel ik niet dat iedere christen op hetzelfde moment precies hetzelfde ervaart.
Sommige mensen beschrijven hun bekering als een overweldigende ervaring. Anderen komen op een rustige manier tot geloof. Anderen weten niet beter of ze geloven al hun hele leven in de Here Jezus, en weer anderen ontdekken pas later hoe diep het werk van de Heilige Geest in hun leven doorwerkt.
De Bijbel schrijft ons niet voor dat we allemaal dezelfde emoties, lichamelijke gewaarwordingen of bijzondere ervaringen moeten hebben.
In Johannes 7:37-39 verbindt Jezus het geloven in Hem met de belofte van de Geest. Galaten 3:2 legt eveneens een verband tussen het ontvangen van de Geest en het geloof.
Daarom zie ik geen grond om christenen, die op Christus vertrouwen, te vertellen dat zij nog een noodzakelijke tweede ervaring missen voordat zij werkelijk bij Hem horen.
Maar betekent dit dat er na de bekering niets meer gebeurt?
Absoluut niet.
We moeten onderscheid maken tussen het ontvangen van de Geest en het verdere werk dat de Geest in ons leven doet.
De Heilige Geest werkt in ons aan heiliging. Hij vormt ons karakter, leert ons Gods Woord verstaan en stelt ons in staat God en onze naaste te dienen.
Dat werk is niet op één moment afgerond.
En juist daarom moeten we kijken naar een ander begrip dat in het Nieuwe Testament voorkomt: de vervulling met de Heilige Geest.
De vervulling met de Geest: een blijvende noodzaak
In Efeziërs 5:18 schrijft Paulus:
En word niet dronken van wijn, waarin losbandigheid is, maar word vervuld met de Geest.
Paulus schrijft dit aan mensen die al tot de gemeente van Christus behoren. Hij roept hen op om vervuld te worden met de Geest.
Ook in Handelingen lezen we dat gelovigen opnieuw vervuld worden met de Heilige Geest. Denk bijvoorbeeld aan Handelingen 4:31.
Dat laat zien dat het christelijke leven niet stilstaat op het moment dat iemand tot geloof komt.
De Geest wil ons leven steeds meer vormen naar Gods wil. Dat heeft gevolgen voor onze woorden, onze keuzes, onze onderlinge verhoudingen, onze aanbidding en onze dienst aan anderen.
We moeten hierbij wel voorzichtig zijn. De oproep om vervuld te worden met de Geest lost niet op zichzelf iedere discussie over de geestesdoop op. Maar ze maakt wel duidelijk dat geestelijke groei en afhankelijkheid van de Geest blijvend belangrijk zijn.
Een christen kan dus niet zeggen: ik heb de Geest ontvangen, dus ik hoef verder niets meer te verwachten of te leren.
Maar het omgekeerde is evenmin juist. We moeten niet voortdurend op zoek gaan naar een nieuwe ervaring omdat we denken dat onze bekering niet voldoende was.
De Bijbel roept ons op om de Geest niet te bedroeven en Zijn werk niet uit te doven. Tegelijkertijd worden we opgeroepen om alles te toetsen en het goede te behouden.
Een levend geloof betekent niet dat we steeds indrukwekkendere ervaringen moeten najagen. Het betekent dat we ons steeds opnieuw richten op God, Zijn Woord en het werk dat Hij in ons doet.
Is tongentaal het bewijs dat je de geestesdoop hebt ontvangen?
We komen nu bij een belangrijk praktisch punt.
Binnen bepaalde christelijke tradities wordt het spreken in tongen beschouwd als het eerste uiterlijke bewijs van de doop met de Heilige Geest.
Maar wat zegt Paulus hierover?
In 1 Korinthiërs 12 beschrijft Paulus verschillende geestesgaven. Hij maakt duidelijk dat de Geest de gaven uitdeelt zoals Hij wil en dat de gemeente bestaat uit mensen met verschillende functies.
Aan het einde van dat hoofdstuk stelt hij een reeks vragen: zijn allen apostelen? Zijn allen profeten? Hebben allen gaven van genezingen? Spreken allen in talen?
De strekking van deze vragen is dat niet alle gelovigen dezelfde gave hebben.
Dat is belangrijk, maar we moeten het argument precies formuleren. Paulus bespreekt hier de verscheidenheid aan gaven binnen de gemeente. Sommige christenen antwoorden dat zij tongentaal als teken van de geestesdoop onderscheiden van tongentaal als gave voor de opbouw van de gemeente.
We moeten dat onderscheid begrijpen voordat we hun standpunt beoordelen.
Toch blijft de vraag staan: leert het Nieuwe Testament uitdrukkelijk dat iedere christen een afzonderlijke geestesdoop moet ontvangen, met tongentaal als noodzakelijk bewijs, om geestelijk compleet te zijn?
Ik meen dat die conclusie niet voldoende duidelijk uit het geheel van de Schrift kan worden afgeleid.
De nadruk bij Paulus ligt op het ene lichaam, de verscheidenheid aan gaven en de opbouw van de gemeente.
Maar Paulus heeft in 1 Korinthiërs 14 nog veel meer te zeggen over tongentaal. Hij bespreekt daar niet alleen de gave zelf, maar vooral de manier waarop deze in de samenkomst gebruikt moet worden.
Hij schrijft dat alles moet dienen tot opbouw van de gemeente. Als iemand in een tong spreekt, moet er uitleg zijn; als die ontbreekt, moet de spreker in de samenkomst zwijgen.
Ook waarschuwt Paulus dat een samenkomst waarin iedereen door elkaar heen in tongen spreekt, voor buitenstaanders de indruk kan wekken dat de aanwezigen buiten zinnen zijn.
Dat is een belangrijk aspect van Paulus’ onderwijs. De aanwezigheid van een geestesgave betekent niet dat iedere manier waarop die gave wordt gebruikt automatisch goed is.
In mijn studie ‘Wat zegt Paulus over spreken in tongen in 1 Korinthiërs 14?’ onderzoek ik deze passage uitgebreider, waaronder de verwijzing naar Jesaja 28 en de betekenis van tongentaal als teken. Als je wilt weten hoe ik die tekst uitleg, kun je de volledige studie bekijken via de link in de beschrijving.
We moeten dus niet alleen vragen of een gave voorkomt, maar ook hoe de Bijbel voorschrijft dat die gave gebruikt moet worden.
Dat betekent niet dat tongentaal geen plaats zou kunnen hebben in het christelijke leven. Het betekent dat we de plaats ervan moeten bepalen aan de hand van het geheel van het Bijbelse onderwijs, niet door één ervaring tot norm voor iedere gelovige te maken.
Conclusie — Moet je een tweede ervaring zoeken?
Wat moeten we nu concluderen?
Ten eerste: de Heilige Geest is onmisbaar voor het christelijke leven. Wie Christus toebehoort, heeft de Geest.
Ten tweede: Handelingen beschrijft verschillende bijzondere gebeurtenissen rond de ontvangst van de Geest. We moeten deze gebeurtenissen zorgvuldig lezen in hun historische en heilshistorische context, zonder ze te negeren of automatisch tot een vast patroon voor iedere gelovige te maken.
Ten derde: Paulus schrijft in 1 Korinthiërs 12:13 dat wij allen door één Geest tot één lichaam zijn gedoopt. Dat is een krachtig argument tegen een verdeling tussen christenen die de Geest werkelijk zouden hebben ontvangen en christenen die nog een noodzakelijke tweede ervaring missen.
Ten vierde: het ontvangen van de Geest betekent niet dat onze geestelijke groei voltooid is. We worden opgeroepen ons door de Geest te laten vervullen, te groeien in heiliging en Hem te dienen met de gaven die Hij geeft.
En ten vijfde: niet iedere gelovige ontvangt dezelfde geestesgaven. We moeten daarom voorzichtig zijn met het voorschrijven van één specifieke ervaring als noodzakelijk bewijs van geestelijke volwassenheid.
Mijn conclusie is niet dat God na onze bekering geen bijzondere dingen meer kan doen. Integendeel, we moeten openstaan voor het werk van de Heilige Geest en alles wat de Bijbel daarover leert serieus nemen.
Mijn conclusie is dat het Nieuwe Testament ons geen voldoende grond geeft om iedere christen op te roepen een afzonderlijke tweede geestesdoop te zoeken om geestelijk compleet te worden.
Als jij op Jezus Christus vertrouwt, hoef je dus niet voortdurend in angst te leven dat je misschien nog een noodzakelijke ervaring mist voordat je werkelijk bij Hem hoort.
Richt je vertrouwen op Christus. Onderzoek Gods Woord. Bid om de leiding van de Geest. Groei in liefde en gehoorzaamheid en stel je beschikbaar om anderen te dienen.
En als je een bijzondere ervaring hebt meegemaakt, hoef je die niet te verbergen of te ontkennen. Maar toets haar wel aan de Schrift.
Want uiteindelijk gaat het niet om de vraag wie de indrukwekkendste ervaring heeft gehad. Het gaat om Christus, om het werk van Zijn Geest en om de opbouw van Zijn gemeente.







